|
Leenrepertorium & Drentse schulte ambten |
|
Repertorium op de Overstichtse en Overijsselse leenprotocollen 1379-1805
In de Overstichtse en Overijsselse leenprotocollen (=leenregisters) staan over een periode van meer dan vier eeuwen de beleningen (overgangen van bezit) opgetekend van ongeveer 2500 boerderijen, landerijen en tiend- en visrechten in Overijssel, Drenthe, Gelderland en het graafschap Bentheim. De leenregisters bevatten ongeveer 25.000 namen van personen, plaatsen, erven en percelen. Deze bron biedt een schat aan informatie over de lokale geschiedenis, maar ook en vooral over de familierelaties van bezitters van lenen. Dit alles uit een periode waarin andere bronnen van informatie over onroerend goed en personen relatief schaars zijn. Het leenstelsel heeft een ingewikkelde voorgeschiedenis die teruggaat tot in de vroege middeleeuwen. Op de eerste 115 pagina’s staat een uitgebreide inleiding.
Een repertorium is een systematische analyse van de originele documenten. U kunt deze 4.228 pagina’s informatie, die doorzoekbaar is op trefwoord (plaatsnaam, boerderij- of veldnaam, naam van familie of persoon) op tweeërlei manier raadplegen:
- door het repertorium als pdf bestand van 12 MB incl de zoekmogelijkheid te downloaden naar uw eigen computer.
- door het repertorium op de website van het Historisch Centrum Overijssel te raadplegen via de volgende zoekmachine. Wanneer u bijv. het woord <Drenthe> in typt volgt een uitgebreide lijst (incl een overzicht van de Drenthse schultambten) met de betreffende pagina’s, die doorlinken naar de informatie zelf.
Voor een volledig overzicht van de lenen kunt u geografisch zoeken op provincie, richterambt/schoutambt en buurschap.
Bij de overgang van het bezit wordt niet alleen de nieuwe bezitter genoemd, maar in vele gevallen ook de familiebetrekking tot de vorige bezitter. De elkaar chronologisch opvolgende aantekeningen brengen dikwijls meerdere generaties van een bepaalde familie in beeld. Ze bieden tevens de mogelijkheid de geschiedenis van het specifieke erve, perceel of recht te volgen; evenals veranderingen in de naamgeving. Voetnoten verschaffen dikwijls nog aanvullende informatie.
De leenheer gaf de lenen uit aan de leenman. Oorspronkelijk verleende de leenman aan de leenheer bepaalde diensten, bijvoorbeeld militaire hulp. Bovendien was de belening tijdelijk. Na overlijden van de leenman verviel het leen weer aan de leenheer. Geleidelijk aan - zeker na de middeleeuwen - werden de lenen erfelijk in de familie van de leenman, die ze zelfs kon verkopen.
Toch bleef er een door het leenrecht geregelde verhouding tussen leenman en leenheer. Dit leenrecht bepaalde onder andere op welke wijze lenen van de ene op de andere leenman konden worden overgedragen; hetzij door vererving hetzij door verkoop. Hiervan is aantekening gehouden in de leenprotocollen.
Overijssel maakte tot 1528 deel uit van het bisdom Utrecht en werd ook wel het Oversticht genoemd. De bisschop was zowel geestelijk als wereldlijk heer. Na 1528 kwam de souvereiniteit over Overijssel aan de vorsten uit het Habsburgse Huis, eerst Karel V en later Philips II. Na de Opstand kwam die soevereiniteit tenslotte aan de Staten van Overijssel.
Al deze soevereinen traden op als leenheer. In de leenkamer vond de administratie plaats van de overgang van het bezit van de lenen. De archieven van de leenkamers zijn bewaard gebleven in respectievelijk het Utrechts Archief voor de bisschoppelijke periode en in het Rijksarchief in Overijssel voor de periode 1528 - 1805.
In 1805 is het leenstelsel afgeschaft.
|
|